Tropenmuseum Junior

Onlangs had ik een ontmoeting met twee mensen van het Tropenmuseum Junior, dat al meer dan 30 jaar interactieve tentoonstellingen maakt over ‘den vreemde’. Op dit moment is de ‘Qi van China’ te bewonderen. Qigame is een spel dat je vanuit thuis kunt spelen. De tentoonstelling gaat over de energie die door alles en iedereen stroomt, door mensen en dingen, dieren en gebouwen. We raakten in gesprek over de methode die het Tropenmuseum Junior hanteert en uniek maakt. Het Tropenmuseum Junior heeft in de afgelopen jaren wereldfaam verworven met hun unieke aanpak die door een klein, interdisciplinair team van betrokken professionals is ontwikkeld. Hoe is het succes te verklaren? Welk leerrendement levert het op? In hoeverre is die aanpak relevant voor het regulier onderwijs op basisscholen en de onderbouw van het voortgezet onderwijs? Deze vragen zijn vanuit leertheoretisch oogpunt interessant om te verkennen.

Het succes van het Tropenmuseum Junior valt deels te verklaren door haar inbedding in het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) te Amsterdam met haar prachtige gebouw op een unieke locatie. Het KIT verzamelt niet alleen veel kennis en expertise over andere culturen, het beschikt tevens over een uitgebreid netwerk van contacten in ‘den vreemde’. Maar dit zegt nog niet zoveel over de het effect van de tentoonstellingen op kinderen. De indruk bestaat dat kinderen die het Tropenmuseum Junior bezoeken er blijvende herinneringen aan overhouden.

Op de website van het museum is een en ander over de methode te lezen. Het leven als uitgangspunt nemen, dingen in hun context laten zien, interactiviteit en van binnenuit ervaren, zijn principes die aan de basis liggen van elke tentoonstelling. De theorie van het ervaringsleren (Kolb) lijkt tot bijna volmaakte perfectie te worden uitgevoerd. Natuurlijk lukt dat alleen met de nodige middelen en een gedegen voorbereiding. Medewerkers reizen naar de landen waar een tentoonstelling over gaat, er worden spullen ingevlogen en zelfs heuse leefomgevingen nagebouwd met materiaal van daar. Dit levensechte karakter biedt kinderen de mogelijkheid een wereld te betreden die ze nog niet eerder betraden. Sterker, de tentoonstelling is zo opgezet dat ze meteen in die wereld worden gezogen. Vooral die opzet vanuit het alledaagse leven in ‘den vreemde’ en de persoonlijke levensverhalen van mensen aldaar, maakt het mogelijk voor het kind een verbinding met het eigen leven te maken. De ander komt dichtbij, je raakt ermee in gesprek. Ik denk dat een theoretische analyse vanuit een ander kader dan Kolb zinvol is om de ‘werkzame’ principes zo te formuleren dat ze als bouwstenen kunnen fungeren voor anders onderwijs.

De theorie van het ‘gesitueerd leren’* kan gezien worden als opvolger van ‘leren door te doen’. Leren is een dimensie van het alledaagse leven en elke activiteit wordt erdoor gekenmerkt. In feite is al het leren gesitueerd. Het deelnemen aan het alledaagse gebeuren met zijn vele situaties die al of niet verbonden zijn tot processen, ís leren. In de theorie van gesitueerd leren speelt het begrip participatie een centrale rol. Hoe gaat die participatie in zijn werk? Waarin participeert men dan?

Randvoorwaarde om (volwaardig) te leren is het verschaffen van toegangen tot sociale plaatsen waar het leven zich voltrekt. In de theorie heet dat het legitimeren van perifere participatie. Volgens mij blinken de tentoonstellingen van het Tropenmuseum Junior daarin uit. Zij maken perifere participatie tot andere culturen en levenssferen mogelijk. Dit is voor het kind een eerste stap in het verder verbonden raken met die andere cultuur. Participeren is een complexe daad ingebed in sociale settings. Juist de aanwezigheid van mensen uit de andere cultuur, die kinderen in de tentoonstelling begeleiden op hun weg door die voor hen nieuwe situaties, is cruciaal om tot leren te komen. Participatie steunt op een sociale structuur (hierin bouwt de theorie voort op Vygotsky) die door ‘echte mensen’ wordt voorzien. Dat het hier gaat om gesimuleerde situaties uit andere culturen is evident. Door participatie voorop te stellen wordt de valkuil van de overdracht vermeden.

Het Tropenmuseum Junior laat zien hoe je op kinderen kunt vertrouwen als het gaat om meningsvorming en het integreren van nieuwe informatie. Hier liggen de kiemen voor goed onderwijs voor mondiaal burgerschap. Het onderwijs zou hierop door kunnen gaan door kinderen een repertoire aan participatievormen mee te geven, ze te leren participeren. Het gewone leven kenmerkt zich immers door vele parallelle situaties en kinderen overschrijden voortdurend grenzen. Maar leren ze dat overschrijden van grenzen ook op school? Vaak ligt de nadruk eenzijdig op kennis. Soms zelfs op de overdracht van eenzijdige of stereotype beelden over andere culturen. De studie die momenteel wordt verricht naar de methode van Tropenmuseum Junior zou de basis kunnen vormen voor een verdere studie naar en de ontwikkeling van een didactiek voor mondiaal leren.

* Jean Lave en Etienne Wenger 1991. Situated Learning: legitimate peripheral participation. Cambridge University Press

, , , , ,

One Response to Tropenmuseum Junior

  1. Maarten 28 augustus 2011 at 09:33 #

    Mooi verhaal. Gelden die principes alleen voor kinderen, of ook voor volwassenen?

Geef een reactie